donderdag 18 februari 2016

Bureau BAC ook in Groenlo

Salto ritmiek zeer succesvol, gegeven door Japanners aan gehandicapte kinderen

BELTRUM – Op landgoed t Hulsevoort wordt al een aantal jaren, in mei en oktober, een dag georganiseerd voor meervoudig complex gehandicapte kinderen. Deze kinderen beleven een soort van Verwendag. Saltoritmiek is daar een belangrijk onderdeel van. Hiervoor komen regelmatig Japanners naar Nederland om dit ouders te leren toepassen. De ouders die in mei en oktober naar onze Saito-workshop komen, hebben hier goede ervaringen mee opgedaan.

De Japanners geven advies en oefenen met elk kind apart maar ook in groepsverband. Saito wordt ondersteund met pianomuziek (klank), oefenen en massage op het lichaam (gevoel) en gericht naar bijv. de moeder kijken als deze zich verplaatst tijdens de oefening (kijken).

Deze gecombineerde prikkels blijken een enorme stimulans te zijn voor bijv. de hersenen qua gevoel en reactie.

Dat Saitoritmiek ook succesvol werkt op kinderen zonder een handicap hebben we inmiddels ervaren. ‘Saitoritmiek zoekt deze aansluiting vanaf het begin, op het lichaamsgebonden ervaringsniveau van het kind, en integraal in zijn motorische, sensorische, contactuele, sociale, cognitieve ontwikkeling in de bewustwording van zichzelf, zijn omgeving, de natuur.’

Meer informatie hierover vind u op de site www.saitocentrum.nl en op www.hulsevoort.nl(stichting Zonnekind)

Het merendeel van de kinderdagverblijven waar Saito ritmiek wordt beoefend, bevinden zich in de Randstad en Zeeland/Brabant. De zeer succesvolle formule is een paar jaar geleden door ons team ontdekt. We zijn daarvoor naar Japan afgereisd om het ter plekke te leren en te ervaren.

Sinds 2 jaar bestaat stichting Zonnekind welke is gericht op zorgverlening aan meervoudig complex gehandicapte kinderen.

De stichting is, net als de Zorgboerderij Kumufit en het Kinderdagverblijf Het Vlinderhofje, gehuisvest op het landgoed ’t Hulsevoort aan de Bruggertweg 2 te Beltrum.

Graag nodigen wij u uit voor de lezing over Saitoritmiek op zaterdag 19 maart van 10:00 tot 12:00 uur op landgoed ’t Hulsevoort. De zaal is open om 09:30 uur.

Opgave gewenst.
kleingebbinck.m@gmail.com of 0544-487010 / 06-55733458

Betere opvang vluchtelingen mogelijk door regionale afstemming

Zeven Achterhoekse gemeenten gaan de mogelijkheden voor de opvang van vluchtelingen en vergunninghouders onderling afstemmen. Daarmee is meer maatwerk mogelijk en kan beter en sneller worden voldaan aan de maatschappelijke behoefte.

De huisvesting van vluchtelingen is nu sterk afhankelijk van de fase in de aanvraagprocedure voor asiel. Zo verhuist “ in theorie” een asielzoeker na het verkrijgen van een verblijfstatus vrij snel naar een geschikte woning. Echter, in de praktijk duurt dit vaak veel langer, waardoor die plek in het asielzoekerscentrum langer bezet blijft en hierdoor de vluchteling weer langer in de noodopvang moet blijven. Ook eisen ten aanzien van de omvang van opvanglocaties zitten soms een beschikbaar aanbod in de weg, terwijl de nood onverminderd hoog is.

Huisvestingstaak
Op dit moment heeft elke gemeente een taakstelling opgelegd gekregen voor de huisvesting van vergunninghouders. Opgeteld voldoen de zeven gemeenten ruimschoots aan die taak. Waarbij de ene gemeente moeite had aan deze specifieke vraag te voldoen, werd dat vrijwel volledig gecompenseerd door de extra ruimte die een andere gemeente biedt. Daarnaast worden er in de zeven gemeenten nog eens 1250 asielzoekers in verschillende stadia van hun procedure opgevangen.

Opvangruimte
Door minder stringent met de meetlat naar specifieke taakstellingen per gemeente te kijken, ontstaat meer manoeuvreruimte en kan beter rekening gehouden worden met lokale omstandigheden. Dat geldt ook voor de eisen die het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers nu soms stelt ten aanzien van aantallen opvangplaatsen op één locatie. Hierdoor worden soms kleinschaliger opvanglocaties niet gebruikt. Ook hier kan een meer soepele benadering letterlijk meer opvangruimte scheppen.

Manoeuvreerruimte
Door regionaal de problematiek aan te pakken, kan het vaker voorkomen dat een gemeente volgens de oude systematiek een lager aantal vluchtelingen, asielzoekers, of vergunninghouders huisvest dan nu is opgelegd. Maar ook kunnen daar waar dat mogelijk is, andere groepen, in andere stadia van hun procedure weer meer ruimte krijgen. Meer manoeuvreerruimte maakt het makkelijker aan de totale vraag te voldoen.

Gezamenlijk opereren
De zeven (Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk) gemeenten zullen daarvoor ook in gezamenlijkheid opereren in overleggen met Rijk, provincie, COA en andere partners die betrokken zijn bij de opvang en huisvesting van vluchtelingen (in welk stadium van hun procedure dan ook).

Renske Waardenburg over het boek en het rendementsdenken

Open brief aan Wiebe Draijer, CEO Rabobank

Al jaren schrijft Michiel Werkman kritische columns over hoe Rabobank, zijn voormalige werkgever, omgaat met mkb-klanten. Vandaag pakt Werkman de koe bij de horens en richt zich direct tot de ceo van Rabo: Beste Wiebe, wáár blijft de volwassen dialoog zonder discutabele marketingcommunicatie? Waar blijven de echte oplossingen?

Beste Wiebe,

Al kennen jij en ik elkaar niet persoonlijk, zoals gebruikelijk onder collega’s en ex-medewerkers permitteer ik me je te tutoyeren. Dat kan, lijkt mij ook, omdat bronnen in jouw omgeving mij informeren dat jij wel weet wie ik ben. In ieder geval geldt dat voor je directe collega’s die de stukken die ik over Rabobank schrijf met argusogen blijken te volgen. 

De laatste drie jaar heb ik ronduit kritische columns geschreven over de handel en wandel van Rabobank en over de koers die je bank vaart. Officieel heb ik daar van jullie nooit enige reactie op ontvangen. Uit mijn in 25 jaar opgebouwde netwerk met actieve en vertrokken collega’s ontvang ik wel regelmatig feedback. Een enkele keer is dat tamelijk geprikkeld. Echter, de overgrote meerderheid van hun reacties is samen te vatten als: ‘je formuleert het scherp, maar het is terecht wat je stelt’.

Radiostilte

Mijn columns baseer ik op mijn eigen ervaringen, op uitingen van klanten èn van je eigen medewerkers. Jij zult er vast niet raar van opkijken dat ik weet dat veel Rabomedewerkers mijn stukken lezen. Via oud-collega’s hoor ik ook hoe daar intern bij jou binnen de top van Rabobank Nederland tegenaan gekeken wordt. En al heeft jullie radiostilte mij wat verbaasd, het past wel in het patroon van wegkijken, ontkennen en stilzwijgen.

Naar aanleiding van recente columns werd ik onlangs toch ineens formeel uitgenodigd voor een gesprek met een lokale Rabobank-directeur en een medewerker. Zij wilden graag eens persoonlijk kennismaken en over mijn standpunten van gedachten wisselen. Ik zal hun namen hier nu niet noemen; jij weet vast wel wie zij zijn. Mogelijk heb je zelfs kennis van wat zij en ik met elkaar besproken hebben. Dat is prima want dat gesprek is wederzijds als zinvol ervaren. Het is vanuit je bank zelfs publiekelijk als ‘inspirerend’ getypeerd. Nadat ons gesprek in bredere kring bekend is geraakt wordt er door diverse medewerkers van je bank positief op gereageerd. Zelfs met een oproep om jullie ‘scherp te houden en kritisch te blijven’. Is dat niet prachtig?

Zó kan het dus ook Wiebe. In plaats van ontkennen en stilzwijgen

Zó kan het dus ook Wiebe. In plaats van ontkennen en stilzwijgen. Niet de kritiek pareren met discutabele marketingcommunicatie maar die tegemoet treden met een volwassen dialoog en met het bieden van echte oplossingen. Jij begrijpt toch wel dat enorme schade wordt toegebracht als jij of je collega’s in de media verklaren dat gemaakte fouten hersteld zullen worden, terwijl lokale medewerkers aperte fouten glashard ontkennen? Hun angst, of hun opdracht, om gemaakte fouten niet toe te geven gaat ten koste van klanten.

Jouw klanten, mijn collega-adviseurs en ikzelf hebben talloze voorbeelden waarbij medewerkers van lokale Rabobanken eenmaal ingenomen stellingen niet meer zonder bloedvergieten verlaten. Zelfs als zij overduidelijk fout zitten bij misselling van rentederivaten of bij bijzonder beheer. En wanneer misstanden zoals bijvoorbeeld met jullie nep-advocaten kantoor naar buiten worden gebracht worden ze ontkend, genegeerd of gemarginaliseerd. Al die kwesties maken Rabobank keer op keer ongeloofwaardiger.

Beste Wiebe, niet alleen van buitenaf wordt met steeds meer irritatie en vervreemding naar Rabobank gekeken. Heb jij zelf in de gaten dat veel van je medewerkers zich ook niet meer in de koers van de bank herkennen? Loyale medewerkers die off the record onomwonden te kennen geven dat de Rabobank wel centraal staat maar de klant niet. Doe jij daar iets mee of kunnen die criticasters wat jou betreft als eersten vertrekken omdat ze niet meer in de pas marcheren? Is het niet beter wanneer jij je openstelt voor kritiek van binnen en van buitenaf? Dat je medewerkers toestaat op een voor hun veilige manier fouten toe te geven in plaats van de klanten onnodig te laten bloeden? Volgens mij is dat hard nodig voor betere werkverhoudingen, in het klantbelang en voor herstel van het marktvertrouwen.

Waarachtige communicatie

Beste Wiebe, voordat jij nu weer reageert met ‘hier herken ik mij niet in’ nodig ik je uit om nog heel even door te lezen want die standaard reactie van jou is langzaamaan wel een beetje sleets aan het worden, hè? Ik denk dat het op die manier met Rabobank alleen maar bergafwaarts zal gaan. Tegen alle schade die erdoor wordt veroorzaakt en het negatieve marktsentiment kunnen je ‘aandeel in elkaar’ campagne of het - zelfs grotendeels fake gebleken - feelgood Rabo filmpje over jullie bijzonder beheer uiteindelijk echt niet tegenop.

Neem publiekelijk het initiatief tot een open dialoog met kritische klanten en hun adviseurs

Er is behoefte aan een waarachtige communicatie, erkenning en aanpak van misstanden. Neem een voorbeeld aan de positief ontvangen stap van je lokale directeur. Neem publiekelijk het initiatief tot een open dialoog met kritische klanten en hun adviseurs. Maar doe daar dan ook iets mee! Durf mea culpa te zeggen en biedt echte oplossingen. Sta ervoor in dat jouw publieke toezeggingen ook worden waargemaakt. Op een wijze die recht doet aan de oorspronkelijke uitgangspunten en aan de normen en waarden van de oorspronkelijke coöperatieve Rabobank. Put your money where your mouth is, zoals de Engelsen dat zo mooi kunnen zeggen. Dat is zowel in het belang van je klanten als van de Rabobank. Wat denk je Wiebe, pak je die handschoen op?

 

Met vriendelijke groet, Michiel Werkman

Hoelang blijft huren in het middensegment van Amsterdam betaalbaar?

In Amsterdam wordt werk gemaakt van een huursegment voor jonge professionals. De huren mogen maximaal een paar honderd euro boven de hoogste corporatiehuur liggen. Maar hoe voorkom je in een overspannen markt dat die woningen snel verkocht worden of te duur worden voor de doelgroep?

In Amsterdam is de politiek er ondertussen van doordrongen dat ook een klein formaat wereldstad niet zonder een aanzienlijke geliberaliseerde huurmarkt kan. De economie van Amsterdam wordt mede gedragen door jonge professionals uit binnen- en buitenland. Als de stad er niet in slaagt om die mensen op een aangename manier te laten wonen voor huren tussen 750 euro en maximaal 1.200 euro per maand, dan wordt het lastig om ze te lokken en vast te houden.

Op het moment bedraagt dat middenhuursegment een procent of zeven van het totale aantal woningen in de stad. Dat is bij lange na niet voldoende. De raadsfracties van D66 en VVD kwamen daarom vorig jaar met een plan om het middensegment van de woningmarkt op te krikken. In 2016 moeten er 800 woningen in dit segment bijkomen, in 2017 900 en vervolgens 1.000 in zowel 2018 als 2019. Dat voorstel werd aanvaard. Procentueel betekent dat niet veel in een stad met bijna 400.000 woningen, maar het is wel een stap in de goede richting.

Peperdure grond

In het recente verleden bouwden ook woningcorporaties huurwoningen voor het middensegment. Tot 2011 mochten ze dat zelfs doen met door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) geborgd kapitaal. Maar na een felle campagne in Brussel, van de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland (IVBN), werd dat verboden. Sinds 2014, toen 'terug naar de kernactiviteit' het adagium werd, is de speelruimte voor corporaties buiten het sociale segment nog verder teruggeschroefd. Wethouder Laurens Ivens van Bouwen, Wonen en Wijken weet dus dat hij het vooral moet hebben van de marktpartijen.

Hij heeft dan ook de mogelijkheid in het leven geroepen om ontwikkelaars van woningen in het middensegment bij openbare aanbesteding grond in het vooruitzicht te stellen tegen een gereduceerde prijs. Dat verplicht een investeerder dan wel om 15 jaar te blijven verhuren. Bij eerder uitponden moet de reductie op uitgegeven grond worden terugbetaald aan de gemeente.

De peperdure Amsterdamse grond was altijd een van de redenen voor investeerders om niet zo happig op het middensegment te zijn. De grond dreef de stichtingskosten flink op, waardoor alleen koopwoningen rendabel te ontwikkelen waren.

Fiscale bevoordeling

Fiscale bevoordeling van de koopsector heeft potentiële investeerders in middenhuurwoningen ontmoedigd

Frank van Blokland, directeur van de IVBN, bevestigt dat die grondprijs een van de oorzaken was waarom het middensegment in Amsterdam werd gemeden door institutionele beleggers. Hij wijst er echter op dat ook de neiging om de corporaties de mooiste locaties te bieden — ook voor de bouw van niet-sociale woningen — een belangrijke rol heeft gespeeld. Tot slot stelt hij dat de fiscale bevoordeling van de koopsector potentiële investeerders in middenhuurwoningen heeft ontmoedigd.

Van Blokland is nu een stuk optimistischer over Amsterdam en denkt dat beleggers een totaalrendement van tussen de vijf en zeven procent per jaar moeten kunnen halen op investeringen in middenhuurprojecten. Dat totaalrendement is een combinatie van enerzijds de huur minus de exploitatiekosten (direct rendement) en anderzijds de getaxeerde waardestijging of -daling van de vastgoedportefeuille (indirect rendement).

Vermogende families

Er zijn de afgelopen tijd meerdere initiatieven opgestart in het middensegment. Wonam is een bedrijf dat zich speciaal richt op dit segment. Volgens directeur Carolyn Duijvendijk komt het geld voor Wonams projecten van een aantal ‘vermogende families’. Die families vinden het volgens haar plezierig om met een organisatie te werken die zowel de ontwikkeling als de exploitatie voor zijn rekening neemt.

Het bedrijf is zeer voortvarend bezig. Medio 2015 werden twee woontorens opgeleverd: King & Queen. De torens staan tegenover het World Fashion Center in Amsterdam Nieuw-West. Het gaat om 198 twee- en driekamerappartementen met huren die tussen de 710 en 1050 euro liggen. Drie soortgelijke projecten zijn in de bouwfase of in voorbereiding. De huren liggen voor 90 procent tussen de 750 en 1.000 euro. De huurstijgingen worden vastgelegd in het contract en bij wisseling van de huurder kan de huur worden aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden. Over de beoogde rendementen wil Duijvendijk niets kwijt.

Opmerkelijk is dat Duijvendijk benadrukt dat uitponden — het verkopen van de appartementen als ze leegkomen — geen doelstelling is. Het is onduidelijk of die formulering betekent dat er geen omstandigheden denkbaar zijn waarin dit toch wordt overwogen. Maar Wonam wil in ieder geval duidelijk de indruk wekken dat het accent ligt op het doorexploiteren van de woningen.

Uitponden

Een andere interessante speler in die markt is Amvest. Deze vastgoedontwikkelaar en manager van een aantal woningfondsen werkt met geld van pensioenfondsen en verzekeraars. Het is de bedoeling van het management om de komende jaren tussen de 1.000 en 1.500 middenhuurappartementen te realiseren in Amsterdam, bijvoorbeeld in Overhoeks en Cruquius.  Amvest definieert middenhuur voor Amsterdam wat ruimer dan de overheid, tussen 750 euro en 1.200 euro per maand. Volgens de historische gegevens volgen de huren van Amvest meestal min of meer de ontwikkeling van de inflatie. Als de marktontwikkelingen daartoe reden geven, wordt bij wisseling van huurder het huurniveau aangepast.

Bij Amvest zeggen ze tevreden te zijn met een direct rendement van ‘een paar procent boven inflatie’. De waardestijging, de basis van het indirecte rendement, wordt ieder jaar via taxaties meegenomen in het totaalrendement. Het daadwerkelijk uitponden van de woningen gebeurt gemiddeld genomen na een jaar of 15, maar Amvest heeft ook woningen al meer dan 40 jaar in de portefeuille.

Markt leeft op

De actieve partijen zijn allemaal beleggers op jacht naar een goed rendement en geen ideologische of maatschappelijk gedreven verhuurders

Hoewel het zeker gunstig is dat institutionele beleggers nu investeren in middenhuur, is het de vraag of op deze manier op de langere termijn inderdaad een omvangrijke middenhuurmarkt ontstaat. De partijen die nu actief zijn, zijn allemaal beleggers op jacht naar een goed rendement en geen ideologische of maatschappelijk gedreven verhuurders.

De markt komt uit een dal en de kans dat er een langdurige waardestijging van residentieel vastgoed in het vat zit, is aanzienlijk. Omdat de directe rendementen meestal beperkt zijn, zal de verleiding om waardestijgingen te realiseren door verkoop, altijd aanwezig zijn. Dat betekent meestal dat zo’n woning van de huursector naar de koopsector wordt overgeheveld.

Een tweede fenomeen is dat in een gewilde huurmarkt als de Amsterdamse, huren in het geliberaliseerde segment gemiddeld een opwaartse tendens vertonen. Wat ooit een middenhuurappartement was, kan na drie of vier mutaties qua huur boven die categorie zijn uitgestegen. Dat effect is bekend uit steden als Londen en New York. Er zijn geen wetten die het middenhuursegment afbakenen. 

Vraag en aanbod

Na die 15 jaar worden de appartementen weer gewoon onderhevig aan marktkrachten

De gemeente kan wel bepaalde eisen verbinden aan een openbare aanbesteding voor een middenhuurproject. In ruil voor grond tegen een gereduceerde prijs, kan de wethouder eisen dat de huur van de appartementen bijvoorbeeld 15 jaar binnen het middensegment blijft. Maar 15 jaar is in de geschiedenis van een stad verwaarloosbaar. Na die 15 jaar worden de appartementen weer gewoon onderhevig aan marktkrachten.

Uiteindelijk is er binnen een marktaanpak maar een manier om het gebrek aan middenhuurappartementen blijvend op te lossen. Er moeten er zo veel bijkomen, dat vraag en aanbod in evenwicht raakt. Met 1.000 appartementen per jaar kan dat nog lang duren. Er zijn 4.000 extra middenhuurwoningen nodig om het segment met één procentpunt te laten toenemen. Op die manier kan het lang duren voor vraag en aanbod in evenwicht zijn. Het zou daarom zeker helpen als met name corporatiewoningen boven de aftoppingsgrens — het huurniveau waarop de huurtoeslag stopt — naar de markt zouden komen. 

Niemand lijkt goed zicht te hebben op de uraniumhandel van Urenco

Begin februari boog de Raad van State zich over de vraag of er onterecht transport van uranium heeft plaatsgevonden naar de nucleaire verrijkingsinstallatie van Urenco in Almelo. Dit zou te maken hebben met prijsspeculatie door de Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs. Follow the Money neemt de zaak onder de loep.

De zaak begon als een voetnoot bij de Amerikaanse kredietcrisis. Na 2008 kwamen Amerikaanse banken onder strenger overheidstoezicht te staan. Als gevolg hiervan ondervroeg de Amerikaanse Senaat investeringsbank Goldman Sachs in het najaar van 2014 over haar activiteiten op de internationale grondstoffenmarkt. 'Vormde de grondstoffenhandel van de bank een gevaar voor de publieke energiebelangen van Amerika?,' zo vroeg de Senaat zich af.

'...[Goldman] was also speculating on uranium prices by trading uranium futures and other financial products’

Uit het Senaatsrapport bleek het volgende. Goldman Sachs begaf zich in 2009 op de uraniummarkt toen het een Londons handelskantoor in uranium, genaamd Nufcor International, overnam. Tussen 2009 en 2013 groeide Goldmans uraniumhandel via Nufcor met een factor 10 tot een waarde van ruim 240 miljoen dollar. De handel van Goldman bestond uit het opkopen van uranium van mijnbouwbedrijven, het opslaan hiervan, en het weer doorverkopen aan energiebedrijven voor de productie van kernenergie. Het rapport stelt dat Goldman effectief de opslag van uranium financierde totdat energiebedrijven het materiaal wilden opkopen. Over deze fysieke leveringen zegt het rapport: ‘Goldman said that it hedged its physical positions primarily by selling the physical supply through forward contracts.’ Maar het rapport stelt dat Goldman naast leverancier van uranium ook als speculant optrad: ‘...[Goldman] was also speculating on uranium prices by trading uranium futures and other financial products.’

Een van de plekken waar Goldman zijn uranium volgens het Senaatsrapport opsloeg was de Nederlandse verrijkingsinstallatie van Urenco in Almelo. Urenco is ’s werelds op twee na grootste uraniumverrijkingsbedrijf. Het bedrijf verzorgt de verrijking van natuurlijk uranium (gasvormig uraniumhexafluoride, UF6) tot lichtverrijkt uranium wat geschikt is voor gebruik in kerncentrales. Dit leidt tevens tot verarmd uranium als bijproduct. De Urenco Group heeft hier in totaal vier installaties voor in Nederland (Almelo), Engeland (Capenhurst), Duitsland (Gronau) en de VS (New Mexico). Van deze installaties neemt Almelo circa 30 procent voor haar rekening, of zo’n 10 procent van de totale wereldmarkt in uraniumverrijking.

Kamervragen

Naar aanleiding van dat Senaatsrapport stelde Liesbeth van Tongeren (GroenLinks) eind 2014 Kamervragen aan minister Henk Kamp van Economische Zaken. De minister bevestigde  hierop dat Goldman Sachs via haar dochteronderneming Nufcor inderdaad natuurlijk uranium (UF6) opslaat op het terrein van Urenco. Hij ontkende echter dat dit tot extra fysieke transporten van radioactief materiaal heeft geleid. Uranium werd alleen in Almelo opgeslagen om daar verrijkt te worden, zo stelde de minister.

Stichting Laka, een actiegroep tegen kernenergie, was het niet eens met de uitleg van de minister en stelde dat de speculatie van Goldman Sachs wel degelijk tot extra transporten leidt. De aanwijzing hiervoor: nieuwe transportvergunningen voor de export van natuurlijk uranium naar Rusland. Eind vorig jaar stelde D66 vragen aan minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu over fouten die in deze exportvergunningen waren geslopen. Door een administratieve fout betroffen de vergunningen zowel natuurlijk als verarmd uranium, zo bleek uit het antwoord van de minister, terwijl dit alleen natuurlijk uranium mocht zijn. Het ministerie meldde de vergunningen te zullen gaan aanpassen. Maar de vraag bleef hangen: waarom exporteert Urenco überhaupt natuurlijk uranium naar Rusland? Het Russische staatsbedrijf Tenex is wereldwijd marktleider op het gebied van uraniumverrijking, en daarmee Urenco’s grootste concurrent. En minister Kamp had toch gezegd dat er alleen uranium werd opgeslagen in Almelo met als doel om daar ter plekke te worden verrijkt?

Waarom exporteert Urenco überhaupt uranium naar Rusland?

Stichting Laka stapte naar aanleiding van deze Kamervragen en het Amerikaanse Senaatsrapport naar de Raad van State. Daniel Meijers, onderzoeker bij Laka, legt uit: ‘De vergunningen die zijn afgegeven voor het transport van natuurlijk uranium naar Almelo toe zijn afgegeven met de bedoeling dat het uranium in Almelo zou worden verrijkt. Als blijkt dat een deel van dat uranium vervolgens doorgestuurd wordt naar Rusland voor verrijking bij Tenex, is dat in strijd met de rechtvaardiging voor de verleende vergunning. Het uranium had dan nooit naar Almelo mogen worden gebracht.’

Aan de hoogste bestuursrechter van Nederland vraagt Stichting Laka daarom dat de vergunningen voor transport van uranium van en naar Almelo nietig worden verklaard. De Raad van State moet beoordelen of de transporten naar Almelo toe wel plaats hadden mogen vinden als minister Schultz tegelijkertijd wist dat een deel van dat uranium mogelijk naar Rusland zou worden geëxporteerd. Dit is een juridisch-technische strijd over de interpretatie van de vergunningen die wordt gevoerd tussen het Ministerie en Stichting Laka. Het doel van Laka is om op deze manier meer aandacht voor het transport van nucleair materiaal te vragen en zo het toezicht te verscherpen, aldus Meijers.

Naar Rusland en terug

Dat er naar Rusland wordt geëxporteerd staat buiten kijf. 12 Januari dit jaar meldde minister Schultz van Haegen in haar antwoord op nieuwe Kamervragen van D66 dat er wel degelijk transport van natuurlijk uranium naar Rusland plaatsvindt, met als doel om daar verrijkt te worden en vervolgens weer terug te worden gestuurd naar Almelo. Dit is in tegenspraak met de eerdere uitspraak van minister Kamp dat uranium alleen in Almelo wordt opgeslagen om daar te worden verrijkt. Volgens minister Schultz ligt die bepaling dus toch wat minder strikt dan eerder door haar collega van Economische Zaken voorgesteld.

Meijers: ‘Dit betekent dat het mogelijk is dat gemijnd uranium uit Kazachstan via de haven van Sint-Petersburg naar Rotterdam wordt verscheept, vervolgens per trein naar Almelo wordt getransporteerd, daar ligt opgeslagen, vervolgens per trein weer terug naar Rotterdam gaat, om per boot naar Sint-Petersburg te gaan, vanwaar het per trein naar Siberië gaat om uiteindelijk te worden verrijkt bij Tenex. Daarna gaat het de hele weg weer terug naar Almelo, om ten slotte naar de kerncentrale in Borssele te gaan.’

Het uranium dat in de periode 2008 t/m 2011 in Borssele werd gebruikt kwam bijvoorbeeld allemaal uit Kazachstan. Indien uranium inderdaad op deze manier heen en weer gesleept wordt zou dat daarmee ingaan tegen het wettelijke ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable) dat voorschrijft dat opslag en transport van uranium tot een minimum dienen te worden beperkt. Transport van radioactief uranium is een publiek veiligheidsrisico dat aan wettelijke restricties gebonden is.

Capaciteitsproblemen

Voor de Raad van State gaf het ministerie van I&M begin deze maand opnieuw toe dat er inderdaad uranium naar Rusland gaat voor verrijking. Urenco en het ministerie beweren echter dat deze export alleen in zeer incidentele gevallen gebeurt.

‘Alleen in het geval van capaciteitsproblemen sturen wij UF6 naar Rusland, als een back-up optie,’ zo stelt een woordvoerster van Urenco Nederland. ‘Wij hebben de voorkeur om niet naar Rusland te exporteren, maar als het niet anders kan dan moet het wel omdat wij onze leveringsverplichtingen na moeten komen.’

Een 'capaciteitsprobleem' lijkt daarmee vooral een bedrijfseconomisch 'probleem'

Dat is eigenaardig, want ten eerste heeft Urenco back-up opties in Engeland en Duitsland, en ten tweede zouden capaciteitsproblemen lang van tevoren bekend moeten zijn en dus opgevangen moeten kunnen worden. Wegens de doorlopende activiteit van kerncentrales worden leveringsverplichtingen over het algemeen vastgelegd in langetermijncontracten van twee tot soms wel 10 jaar. Dit wordt door zowel het Amerikaanse Senaatsrapport als Urenco zelf onderschreven.

Een 'capaciteitsprobleem' lijkt daarmee vooral een bedrijfseconomisch 'probleem'. Meijers: ‘Het is bedrijfseconomisch, omdat de prijs nu goed is en de klant het uranium nu wil verhandelen. De reden om het dus door te sturen naar Rusland is dan pure winstmaximalisatie. Daarmee wordt het ALARA-principe over boord gezet.’

Fysiek transport

In het Senaatsrapport beweert Goldman Sachs dat haar activiteiten nooit tot fysiek transport van uranium hebben geleid. Maar wat betekent fysiek transport dan precies? Goldman Sachs koopt uranium op, op het moment dat het bij Urenco staat opgeslagen in de vorm van gasvormig UF6. En de bank verkoopt het uranium weer op het moment dat de prijs het gunstigst is. De vraag naar verrijkt uranium wordt bepaald door de vraag van kerncentrales voor brandstof. Op het moment dat er veel vraag is, en dus een gunstige prijs, kan er meer winst worden gemaakt. Dat betekent dat er tijdelijk meer uranium verrijkt moet worden. Daarmee lijkt het capaciteitsprobleem van Urenco een gevolg te zijn van de prijsspeculatie met uranium. Meijers: ‘Prijsspeculatie is nooit niet fysiek. Rusland lijkt het tipje van de sluier te zijn.’

‘Prijsspeculatie is nooit niet fysiek. Rusland lijkt het tipje van de sluier te zijn’

Ook de Raad van State stelde grote vraagtekens bij het incidentele karakter van de transporten toen tijdens de zitting aan het licht kwam dat Urenco een langdurig contract heeft met Tenex in Rusland. Tijdens de zitting bleek na doorvragen door de Raadsvoorzitter dat Tenex permanente capaciteit voor uraniumverrijking voor Urenco heeft gereserveerd.

Urenco zelf zegt in 2015 maar een keer uranium naar Rusland te hebben geëxporteerd. Dit betrof een zending van in totaal circa 200 ton. Voor de eerste helft van 2016 staan er verder geen zendingen gepland, aldus de woordvoerster van Urenco.

Dubbele rol overheid

Urenco is een staatsbedrijf, voor een derde in handen van de Nederlandse staat, voor een derde in handen van de Britse staat, en voor een derde in handen van de Duitse energiebedrijven E.ON en RWE. Dit maakt Urenco uiteindelijk een publiek belang waarbij winstmaximalisatie niet als leidraad zou mogen gelden. Een lucratief publiek belang, dat wel. Voor Goldman Sachs was de uraniumhandel zeer lucratief doordat uraniumprijzen door grote boom-and-bust cycli gaan. Dat maakt speculatie aantrekkelijk.

Ook de Nederlandse staat profiteert als aandeelhouder van deze winstgevende handel, met ruim 110 miljoen euro dividenduitkering in 2014. In dat jaar behaalde Urenco een nettowinst van ruim 400 miljoen euro, 20 procent meer dan in het jaar daarvoor. Saillant detail: de belangrijke economische positie die Urenco inneemt leek nog eens onderstreept te worden door het feit dat voormalig Goldman Sachs-werknemer wijlen Prins Friso enkele jaren na zijn functie bij de investeringsbank aangesteld werd als Chief Financial Officer bij Urenco.

Desondanks besloot Goldman in 2014 om de handel in uranium weer af te stoten, naar eigen zeggen omdat de uraniumhandel ‘makkelijk tot misverstanden’ leidt. De lage uraniumprijzen van de afgelopen jaren zullen ook een rol hebben gespeeld in dit besluit. Tot een werkelijke verkoop van dochteronderneming Nufcor is het echter nooit gekomen. Doordat de uraniummarkt instortte na de ramp met de Japanse kernreactor in Fukushima lukte het de bank niet om een geschikte koper te vinden. Vanwege lopende contracten aan elektriciteitsbedrijven blijft Goldman daarom in ieder geval nog tot 2018 actief op de uraniummarkt. Goldman Sachs was bij navraag niet bereid om hier verder op te reageren.

De beschuldigingen van speculatie voegen een nieuw hoofdstuk toe aan hoofdpijndossier Urenco

Wat dit voor de handel van Urenco betekent is onduidelijk. Wel is duidelijk dat de beschuldigingen van prijsspeculatie voor de overheid een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het hoofdpijndossier Urenco. In de jaren ’80 kwam Urenco al in een zwaar negatief daglicht te staan door een spionagezaak waarbij gevoelige nucleaire informatie uitlekte naar Pakistan, dat zo een atoombom kon ontwikkelen.

In januari van dit jaar kwam het verrijkingsbedrijf opnieuw in het nieuws wegens een mislukte poging tot privatisering. Al in 2013 sprak Nederland het voornemen uit om Urenco te privatiseren. Dit plan is nu weer in de ijskast gezet door minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën. Centraal in het mislukken van deze verkoop staat de dubbele rol die de overheid speelt als aandeelhouder en behartiger van de publieke belangen. Zij kon niet garanderen dat een mogelijke verkoopdeal het Nederlandse publieke belang in nucleaire technologie voldoende behartigde.

Transparantie ver te zoeken

Zo blijft de Nederlandse overheid nog wel even met Urenco in haar maag zitten. In haar rol als toezichthouder lijkt zij recent te zijn tekortgeschoten gezien de tegenstrijdige uitlatingen van de ministers Kamp en Schultz van Haegen. Dit suggereert op z’n minst enige onwetendheid over de gang van zaken in Almelo. Ook de fouten die in de recente vergunningen voor export naar Rusland zijn geslopen wekken weinig vertrouwen in een scherp overheidstoezicht op Urenco.

Transparantie is ver te zoeken, zowel bij de bedrijven zelf als bij de overheid

Deze fouten worden verder geproblematiseerd door de algehele onduidelijkheid rondom de uraniumhandel. Transparantie is ver te zoeken, zowel bij de bedrijven zelf als bij de verantwoordelijke overheid. Minister Kamp kon bijvoorbeeld weinig toelichten in zijn antwoorden op Kamervragen omdat het om 'bedrijfsvertrouwelijke informatie' ging. Ook kernenergie-actiegroep WISE benadrukte in een rapport uit 2014 al het gebrek aan transparantie in de uraniumwereld.

Meijers van Stichting Laka: ‘Het is moeilijk om inzicht te krijgen in wat er werkelijk gaande is, omdat de handelscontracten bedrijfsgeheim zijn. Maar uiteindelijk betreft het wel publieke belangen die beschermd dienen te worden.’

Over de beschuldiging van prijsspeculatie laat Urenco zelf zich weinig uit. De woordvoerster: ‘De zaak dient niet voor niets voor de Raad van State. Het is aan de rechter of de vergunningen terecht zijn verleend. Verder is het een zaak tussen de vergunningverlener (het Ministerie) en Stichting Laka.’

De Raad van State spreekt zich over circa zes tot twaalf weken uit over deze zaak.